Inspirerende teksten

Inspirerende teksten

Een schip     (a-01)

Een schip zeilde over de zee.
Ik stond te kijken hoe het achter de horizon verdween.
Iemand zei tegen mij: “De boot is verdwenen”.
Waar is ze naartoe?
Ze is uit mijn gezichtsveld verdwenen; dat is alles.
Ze is echter nog steeds even groot als toen ik haar kon zien.”

Het kleiner worden van de boot en haar niet meer kunnen zien –
dat gebeurde in mijn ogen. Maar het schip is er nog steeds.

Precies op het moment dat iemand zei: “De boot is verdwenen”,
waren er anderen, die naar haar uitkeken en haar zagen aankomen.
Andere ogen verwelkomden haar en hun stemmen schreeuwden:
“Hé, daar komt ze. Ze komt naar onze veilige haven.”

Kijk, dat is sterven.

(vrij naar Bishop Brent)

Voor jou…     ( a 02)

Ik denk niet sòms nog aan je.
Ik denk élke dag aan je.
Ik mis je niet mínder maar meer.
Je bent er steeds langer niet.

Ik denk aan je als ik wakker word.
Ik denk aan je wanneer de kraan lekt.
Ik denk aan je als de koelkast leeg is…

Ik denk aan je als de zon schijnt.
Als ik zo graag met je wil fietsen,
als ik zo graag met je buiten wilde zitten.

Ik denk aan je als ik je wil vertellen:
van een kleinkind dat komt,
van onze zoon, die ongelukkig is en gaat scheiden,
van jouw auto die verkocht is.

Ik denk aan je als iemand vraag:
‘Alles goed…?’

Nooit meer is alles goed.

Soms gaat het beter dan anders.
De ene dag is mijn gemis zachter dan de andere.

Sinds anderen zeggen:
‘Het is maar beter zo.’
‘Hij is nu goed af.’
‘Hij heeft gelukkig niet geleden.’
‘Het was toch al niet veel meer…’
verlang ik nóg meer naar je.

Mijn dag is beter als je naam wordt genoemd,
als ik merk: je wordt niet vergeten.

(Naar Marinus van den Berg)

Parkeren in de zon     ( a 04)

Ik loop echt niet zolang rond op deze wereld.
Ik krijg tussen de eeuwigheid vóór mijn geboorte en de eeuwigheid nà mijn dood heel even de tijd om te parkeren op onze kleine, kwetsbare planeet de aarde.

Ik heb mijn parkeermeter.
De wijzer ervan kan ik niet terugzetten of verder laten lopen door er wat geld in te stoppen.
Mijn verblijf op deze aarde is op onverbiddelijke wijze beperkt.
Er is geen instantie die hier iets aan kan veranderen…
Mijn leven is als een zandkasteel aan het strand van de zee: een paar golfjes van de zee en alles is verdwenen.

Wat nu?

Ik zou zeggen: zeker niet treuren.
Probeer je leven te parkeren in de zon – en niet in een wespennest van allerhande ruzies, zenuwslopende zorgen en problemen.

Mooie dagen maken! Enthousiast zijn over het licht, over de liefde, over goede mensen en de fijne dingen van het leven.

Vriendelijk en hartelijk zijn voor iemand die oud is en weet dat zijn of haar parkeertijd voorbij is.
Goed zijn voor de zieke, de gehandicapte, de misdeelde, de ontgoochelde, de bedrogene en de vele ongelukkige mensen, die geen plaatsje vinden in de zon van het goede van het leven.

Mooie dagen maken voor hen en voor alle lieve medemensen om mij heen – meer hoef ik eigenlijk niet te doen om zelf gelukkig te worden en te blijven.

Parkeren in de zon en de parkeermeter gewoon laten lopen.

Want weet iemand van ons, wanneer zijn of haar parkeertijd voorbij is?

(Bewerkt naar een artikel van Phil Bosmans)

Gedicht: Pluk de dag…   (a 04a)

Pluk de dag

geniet van het leven

morgen lijkt dichtbij

morgen is nog ver

morgen is het misschien voorbij.

Pluk de dag

geniet van het leven

gisteren was een cadeau

gisteren was een herinnering.

Pluk de dag

geniet van het leven

vandaag moet het gebeuren

geef die zoen, maak dat compliment

geniet met volle teugen

zorg dat je gelukkig bent

geniet van alles wat het leven biedt,

want al denk je dat morgen je wordt gegeven

zeker weten doe je het niet.

Over de dood      ( a 05)

Toen vroeg Amrita: ‘Spreek tot ons over de dood’.
En hij zei:
‘Je wilt het geheim van de dood weten?
Maar hoe zal je dat vinden, tenzij je zoekt in het hart van het leven?
De uil die alleen in de nacht kan kijken, kan het mysterie van het licht niet kennen.
Als je écht de ziel van de dood wilt kennen, open je hart dan voor het leven,
want leven en dood zijn één, zoals de rivier en de zee ook één zijn.

In de diepten van je hoop en je wensen, ligt de stille kennis van het gindse, de toekomst.
En zoals zaden die dromen onder de sneeuw, droomt jouw hart van de lente.
Vertrouw op die dromen, want in hen ligt de poort naar de eeuwigheid.
Je angst voor de dood is als het trillen van de schaapherder als hij voor de koning staat die zijn hand oplegt om hem eer te betonen.
Hij zal het teken van de koning dragen en is dat niet vreugdevol?
Maar toch houdt die herder zich meer bezig met het trillen van zijn angst.
Maar wat is de dood anders dan naakt in de wind te staan en in de zon te versmelten?
En wat is het ophouden van het ademen anders dan vrij te zijn van die adem met zijn rusteloze eb en vloed, zodat deze omhoog rijst en de Eeuwige onbekommerd tegemoet kan gaan?

Alleen als je drinkt uit de rivier van de stilte, zal je inderdaad kunnen zingen.
En als je de bergtop bereikt hebt, pas dan zal je beginnen met klimmen.
En wanneer de aarde je botten opeist, alleen dán zal je werkelijk vrij zijn.
(Khalil Gibran)

Loslaten…     ( a 06)

Om los te laten… is liefde nodig.

Loslaten betekent niet dat het me niets meer uitmaakt.
Het betekent dat ik het niet voor iemand anders kan oplossen of doen.

Loslaten betekent niet dat ik ‘m smeer.
Het is het besef dat ik de ander ruimte geef.

Loslaten is niet het onmogelijk maken,
maar het toestaan om te leren van menselijke consequenties.

Loslaten is machteloosheid toegeven,
hetgeen betekent dat ik het resultaat niet in handen heb.

Loslaten is niet proberen om een ander te veranderen of de schuld te geven,
het is jezelf zo goed mogelijk te vormen.

Loslaten is niet het ‘zorgen voor’ maar ‘geven om’.
Loslaten is niet oordelen, maar de ander toe te staan om mens te zijn.

Loslaten is niet in het middelpunt staan en alles te beheersen,
maar anderen het mogelijk te maken hun eigen lot te bepalen.

Loslaten is niet anderen tegen zichzelf beschermen,
het is anderen toestaan de werkelijkheid onder ogen te zien.

Loslaten is niet ontkennen, maar accepteren.

Loslaten is niet alles naar mijn hand zetten,
maar elke dag nemen zoals die komt en er mijzelf gelukkig mee prijzen.

Loslaten is niet anderen kritiseren of reguleren,
maar om te worden, wat ik droom te zijn…

Loslaten is niet spijt hebben van het verleden,
maar groeien en leven voor de toekomst.
Loslaten is minder vrezen en meer beminnen.

(Nelson Mandela)

Afscheid nemen…     ( a 06a)

Afscheid nemen
is met zachte vingers
wat voorbij is, dicht doen
en verpakken
in goede gedachten
van de herinnering.

Is verwijlen
bij een brok leven
en stilstaan op de pieken
van pijn en vreugde.

Afscheid nemen
is met dankbare handen
weemoedig meedragen
al wat waard is
niet te vergeten…

Is moeizaam
de draden losmaken
en uit het spinrag
der belevenissen loskomen…..

En achterlaten….
En niet kunnen of willen vergeten.

(Ward Bruyninckx)

Liefde – 1 Korinthe 13     ( a 07)

Al spreek ik met de tongen van engelen en mensen,
maar de liefde heb ik niet:
ik ben schallend koper, een rinkelende tamboerijn.

Al ben ik een profeet, ziende het onzienlijke,
in alles ingewijd;
en is mijn geloof zo volkomen, dat ik bergen verzet,
maar ik heb geen liefde – ik ben niets.

En geef ik alles weg,
en laat mij martelen als het moet,
heb ik geen liefde, dan dient het tot niets.

Liefde is ruimte geven, tijd laten, goedheid, geduld.
Liefde is niet kleinzielig, jaloers, hebzuchtig.
Liefde laat zich niet gelden, is niet ijdel, grof, of ongenaakbaar.

Wie liefheeft, is niet belust op zichzelf.

Liefde wordt niet verbitterd,
liefde vindt niets onvergeeflijk.
Onrecht maakt haar niet gelukkig, waarheid maakt haar gelukkig.

Liefde houdt stand tegen alles:
telkens weer gelooft zij, alles verdraagt zij, altijd opnieuw vol hoop.

Nooit bezwijkt de liefde,
profetenwoorden wel, talen verstommen, alle kennis is eindig.

Ach, wat wij weten is stukwerk –
en onze visioenen: flarden licht.
Maar als het oneindige aanbreekt, houdt al het eindige op.

Toen ik nog een klein kind was, praatte ik zoals kinderen doen,
en ik dacht niet verder dan kinderen kunnen.

Nu ik een volwassen mens geworden ben, heb ik dat achter mij gelaten.

Nu nog zien wij spiegelbeelden – raadselachtig –
eenmaal staan wij oog in oog.

Nu nog weet ik nog niet de helft,
ooit – eenmaal – zal ik alles weten,
zoals Hij alles weet van mij.

Geloof, hoop en liefde zullen blijven, alle drie, maar de grootste is de liefde.

Lezing uit het boek Job, hoofdstuk 14     ( a 08)

De mens, geboren uit een vrouw, is kort van dagen en vol onrust.

Als een bloem ontluikt hij – en wordt afgesneden.
Als een schaduw is hij vluchtig – en bestaat niet.

En voor zo een, Heer, opent Gij uw ogen,
zo een dagvaardt Gij voor uw rechtbank?

Wordt ooit goed uit kwaad geboren? Nooit!

Maar als het dan zo is, dat zijn dagen zijn geteld,
en zijn maanden door U zijn bepaald,
dat Gij, Heer God, de grenzen hebt vastgesteld, die de mens nimmer kan overschrijden:
wend dan Uw ogen van hem af,
dat hij rust mag vinden, zoals een arbeider, die zijn werk heeft gedaan.

Voor een boom, als deze wordt omgehakt, is er nog hoop:
die loopt weer uit en nieuwe twijgen ontspruiten aan zijn stam.
Al is zijn wortel in de aarde verdord
en zijn tronk in de grond afgestorven:
hij zal uitbotten, zodra hij maar water ruikt,
hij zal weer bloeien als een jonge plant.

Maar sterft een mens –
hij ligt machteloos neer.
Geeft hij de geest – waar is hij gebleven?
Water dat wegvloeit uit een bergmeer –
een rivier die leegloopt en opdroogt.

Zo is een mens:
Hij gaat liggen en staat niet meer op
en zolang hemel en aarde bestaan, zal hij niet meer ontwaken
en uit zijn slaap niet meer worden gewekt.

Ach, Heer, wilde Gij mij maar diep in de aarde verstoppen –
en mij verbergen, totdat uw woede voorbij is.
Ach, Heer, stelde Gij maar een tijdstip vast, waarop Gij mij weer zou gedenken.

Als een mens gestorven is, zal hij ooit weer leven?

Dàn zou ik hoop hebben – al de dagen van mijn harde dienst,
totdat mijn aflossing en bevrijding komt.

Lezing uit het boek der “Spreuken”     ( a 09)

Een sterke vrouw, wie zal haar vinden?
Ze is meer waard dan edelstenen.
Haar man kan op haar vertrouwen. Hij zal er wel bij varen.
Ze zorgt dat er wol en vlas is en spint en weeft met vaardige handen.
Zij trekt er op uit om voedsel te halen,
zoals een schip van een koopman uitvaart naar verre landen.
Ze staat al op als het nog donker is en zorgt voor het eten van heel de familie.
Ze heeft haar zinnen gezet op een stuk land.
Dan koopt ze het van het geld dat zij zelf verdiende
en plant er een wijngaard op.
Ze pakt het werk krachtig aan. Ze is onvermoeibaar.
Ze ziet hoe goed alles gaat, haar handen rusten nooit.
Ze hoeft niet bang te zijn voor sneeuw.
Voor haar hele gezin heeft zij warme kleren.
Kracht en waardigheid straalt zij uit.
De komende dag ziet zij opgewekt tegemoet.
Wat zij zegt, is vol wijsheid.
Haar kinderen zijn trots op haar en haar man is vol lof.
“Er zijn meer sterke vrouwen,” zegt hij dan, “maar jij overtreft ze allemaal.”
Charme is bedrieglijk en schoonheid verdwijnt snel.
Lof verdient alleen een vrouw, die leeft in ontzag voor de Heer.
Dat zij vruchten mag plukken van al haar werk!
Laat heel de stad haar naam in ere noemen!

Lezing uit de Bijbel – uit het boek Spreuken     ( a 10)

Luister, kinderen,
naar wat ik als moeder jullie leerde.

Bewaar dit tezamen met wat jouw vader je meegaf, in je hart,
om later méér inzicht te hebben.

Toen ikzelf voor mijn moeder nog een kind was,
klein en hulpbehoevend,
onder het oog van mijn vader,
kwam het leven op mij af als een langzaam onderricht van denken, spreken en doen.

Met de woorden en de wenken van mijn ouders diep in mijn hart,
ging ik toen verder het leven in.
Maar nooit wil ik vergeten,
wat ik van thuis heb meegekregen!

Daarmee begon de levenswijsheid,
die ik zelf verder moest zoeken,
door schade en schande, in lief en leed.

Wie de wijsheid,
die hij van zijn ouders heeft meegekregen, vasthoudt én omarmt,
is een gelukkig mens.

Daarom wil ik ze niet uit het oog verliezen,
want dan kan ik veilig mijn wegen gaan.

Dan hoef ik geen angst te hebben, als ik ga slapen;

Zó sta ik met vreugde weer op
en dan kom ik altijd weer goed terecht.

Huil niet     ( a 11)

Huil niet. De dood is niets, ik ben slechts aan de andere kant.
Ik ben mezelf, jij bent jezelf.
Wat we voor elkaar waren, zijn we nog altijd.
Noem me zoals je me steeds genoemd hebt.
Spreek tegen me zoals weleer, op dezelfde toon, niet plechtig, niet triest.
Lach om wat ons samen heeft doen lachen.

Denk aan mij, bid met mij.
Spreek mijn naam uit thuis, zoals je het altijd hebt gedaan. Zonder hem te benadrukken, zonder zweem van droefheid.
Het leven is wat het altijd geweest is.
De draad is niet gebroken! Waarom zou ik uit je gedachten zijn?
Nee, ik ben niet ver, maar juist aan de andere kant van de weg.
Zie je, alles is goed. Je zult mijn hart opnieuw ontdekken en er de tederheid in terugvinden.
Dus, droog je tranen en ween niet, als je van mij houdt.

(Augustinus)

Herinneringen     ( a 12)

De laatste dagen dacht ik terug aan het verleden
en vroeg mij af: hoe was het ook al weer?
Zoveel van vroeger weet ik nu niet meer:
als zand is ’t uit mijn vingers weggegleden.

Soms komt er een herinnering naar boven;
ik zie van mijzelf, in flitsen, een vaag beeld.
Samen met opa die de postzegels verdeelt,
herinneringen zijn als zand verstoven.

Jouw gezicht
’t was mij zo vertrouwd.
Ik weet je niet meer jong,
Ik ken je tijdloos oud.

Veel van het verleden zie ik slechts in fragmenten,
al die stukken worden nooit tot één geheel.
Veel zie ik niet, want dan verdwijnt het spoor
dat de herinnering had nagelaten.
Nauwelijks opgemerkt,
ben je in jezelf gaan leven,
besluiteloos en soms radeloos,
vertwijfeld zoekend naar een uitweg.

Ik zag je – onbereikbaar.
Onuitwisbaar zijn voor mij de herinneringen.

(Een kleindochter schrijft dit over haar demente oma)

God die met mensen mee op trekt     ( a 13)

Bijbelverhalen vertellen wat er gebeurt met mensen die onderweg zijn van geboorte naar dood. Met alles wat daarbij hoort: liefde, haat, trouw, bedrog, vreugde, verdriet, ziekte, hoop, angst, verlangen.

En tussen al dat wel en wee ‘gebeurt’ God soms.
Bijbelverhalen zijn vertellingen over hoe God kan ‘gebeuren’ in wat er met en tussen mensen gebeurt. Of je dat ook zó ervaart en benoemd, hangt van je ‘rugzak’ af, van wat er onderweg met jou is gebeurd.
Als één van die verhalen in de Bijbel je aanspreekt, dan wordt het jóuw verhaal; dan kom je er zelf in voor en ben jij degene over wie wordt verteld. Zo’n verhaal blijft je letterlijk bij: het gaat mee in jouw rugzak, op jouw weg van geboorte naar jouw dood.
Zo trekken dat verhaal en hoe God daarin ‘gebeurt’ met je mee. De Bijbel gebruikt voor God dezelfde beeldspraak: Hij die met mensen mee op trekt.
In het boek over de uittocht van de joden uit Egypte – in het boek Exodus in de Bijbel – stelt God zich voor en belooft met de mensen mee op te trekken. ‘Ga maar’, zegt Hij, ‘dan ga ik met jullie mee – en zo gingen ze de woestijn en het nieuwe leven in’.
De naam van God (Ik ben, die is) is onlosmakelijk verbonden met mensen, die in beweging komen. Dat dynamische wordt verderop in dat verhaal van die uittocht treffend verbeeld in een wolk overdag en een vuurkolom in de nacht. Wolk en kolom trekken met de joden mee op tot in het beloofde land. Dan hebben de joden genoeg aan de tien geboden en het verbond dat ze met God hebben gesloten.

Haarfijne intuïtie:
als je blijft zitten waar je zit, zal er niets gebeuren. Maar als je wegtrekt, stappen zet, in beweging komt (desnoods met vallen en opstaan), zal blijken dat er Iets of Iemand met je – in leven en in dood – mee-optrekt.

(naar Ds Klaas Hendrikse)

Gezegden over herinneringen     ( a 14)

Het leven dat de natuur ons schenkt is kort, maar de herinnering aan
een welbesteed leven duurt eeuwig. (Marcus Tullius Cicero)

De ontmoeting met een goed mens blijft altijd een mooie herinnering in
ons leven. (Andre Demedts)

Herinnering is een vorm van ontmoeten. (Kahlil Gibran)

Dankbaarheid is de herinnering van het hart. (Jean Baptiste Massieu)

Afscheid nemen is met dankbare handen aannemen al wat herinnering
waard is. (Ward Bruyninckx)

Afscheid nemen is met zachte vingers, wat voorbij is
dichtdoen en verpakken in de goede gedachten der herinnering. (Ward Bruyninckx)

De herinnering is het parfum van de ziel. (George Sand)

Afscheid betekent de geboorte van de herinnering. (Salvador Dali)

Onze herinneringen zijn het enige paradijs, waaruit we niet verbannen
kunnen worden. (Jean Paul Richter)

Gedachte aan moeder     ( a 15a)

Haar hart was groot,
haar liefde wijs.
Zo plots’ling dood,
voor ’t laatst op reis.

Waarheen, waarom…
Wij mogen het niet vragen.
Nu zegt God: ‘Kom,
ik zal je verder dragen.’

Dus wees niet bang,
er gaat iets nieuws beginnen,
want zo’n geloof, een leven lang,
zegt: ‘God zal overwinnen’.

En wie hier dankbaar kan getuigen,
dat moeder was ‘een sterke vrouw’,
die zal voor dit verdriet niet buigen,
maar zegt heel stil: ‘Alle goeds voor jou’.

Die mag wel huilen,
verdrietig zijn om haar gemis,
maar die weet ook waar zij nu mag schuilen
en dat de hemel altijd haar nieuwe woonplaats is.

(N.N.)

Gedachte        ( a 15b)

Wat voor een rups het einde van de wereld is,

is voor een vlinder slechts het begin.

Gedachte     ( a 16)

Een mensenleven is zo wonderlijk, zo onbegrijpelijk.
Jaar in, jaar uit, dag in dag uit beweeg je je tussen mensen en dingen.
Sommige dagen schijnt de zon en je weet niet waarom.

Je bent tevreden,
Je ziet de mooie en de goede kanten van het leven. Je lacht, je dankt, je danst.
Je werk gaat vlot. Iedereen is vriendelijk tegen je. Je weet niet waarom. Misschien heb je goed geslapen.

Misschien heb je een lief medemens gevonden en voel je je geborgen.
Je zou die tijd van vrede en diepe vreugde willen altijd laten voortduren…

Maar ineens verandert alles weer.
‘t Is alsof een te warme zon het onweer aantrekt. Er komt een soort droefheid over je, die je niet kunt verklaren.
Je ziet alles zwart. Je denkt, dat dit zo zal voortgaan; dat deze stemming niet meer zal wijken. En je weet weer niet waarom…

Misschien ben je moe. Je weet het niet.
Waarom moet het zo zijn?
Misschien omdat elk mensenkind in wezen een stuk natuur is, met lente- en herfstdagen, met de warmte van de zomer en de kou van de winter.
Omdat elk mens het ritme van de zee volgt: eb en vloed.
Ook omdat ons bestaan eigenlijk een voortdurende herhaling is van leven en sterven.

Als je dit kunt aanvoelen en verstaan, kun je misschien toch weer verder.
Want dan besef je en weet je, dat na elke nacht er toch weer een nieuwe morgen komt.

(N.N.)

Diepgang in de levensrivier     ( a 17)

Iemand zei:
“We hebben het wel vaak over kiezen, over vrijheid, over het vinden van je eigen weg, maar ik ben eens nagegaan hoeveel dingen je als mens in het leven gewoon worden opgedrongen. Hoe ingrijpend gebeurtenissen kunnen zijn, waar je geen invloed op kunt uitoefenen. Hoeveel zaken al vastliggen.
Is er eigenlijk wel zoveel speelruimte voor je eigen beslissingen, je eigen spoor?
De wijze nam deze vragende mens mee naar de rivier en zei:
“Kijk, de loop van deze rivier is haar door het omliggende landschap vrijwel volledig opgedrongen, maar de rivier heeft haar bedding zelf van diepgang voorzien.

(N.N.)

De zegen van een bejaarde…     ( a 18)

Gezegend ben je, als je begrijpt, dat mijn handen beven
en mijn voeten langzaam geworden zijn.
Gezegend ben je als je eraan denkt, dat mijn oren niet goed meer horen
en dat ik niet alles meer versta.
Gezegend ben je, als je weet dat mijn ogen niet meer goed zien.
Gezegend ben je, als je niet kwaad op mij wordt,
omdat je voor de zoveelste keer mij iets probeert uit te leggen.
Ik kan er maar niet aan wennen, dat woorden mij ontschoten zijn.
Ik praat nu meer met gevoelens dan met woorden.

Gezegend ben je als je mij toelacht
en mij vraagt naar de dagen van mijn jeugd – hoe het vroeger was.
Gezegend ben je als je – ondanks de vele jaren van mijn ouderdom – toch trouw blijft komen en zacht met mij omgaat, mijn stille tranen begrijpt en daar niet bang voor wordt.
Zó laat je me voelen, dat je écht van mij houdt.

Gezegend ben je als je iets langer bij mij blijft,
wanneer het overal donker wordt
en als je mijn hand vasthoudt, wanneer ik alleen de nacht in moet –
de nacht van mijn dood.

Gezegend ben je,
als je vooral het goede van mijn persoonlijkheid voor ogen blijft houden.
Gezegend ben je tenslotte als je mijn idealen overweegt en een aantal in jouw leven wilt blijven voortzetten

Ik zegen jou en hoop en bid, dat jij op dezelfde wijze als ik oud mag worden.

(naar Phil Bosmans)

De kleine hoop     ( a 19)

Weet je, zei God,
weet je, waar ik het meest van hou?
Dat is de hoop, die mensen kunnen hebben!
Geloof, ach dat verwondert mij niet.
Ik ben overal zo zichtbaar aanwezig –
in de zon, in de maan en de sterren aan de hemel.
Je kunt mij zien in het gespetter van de vissen in rivieren,
in alle dieren, maar vooral in het hart van een medemens, zegt God.
Misschien kun je mij nog het beste zien in de ogen van een kind,
dat mij het liefste onder de schepselen is.
In alles wat ik gemaakt heb,
ben ik luisterrijk aanwezig. –
Je moet het natuurlijk wel zien!
Als je zó in mij gelooft, zegt God, is dat geen wonder…

Ook de liefde verwondert mij niet, zegt God.
Er is onder de mensen soms zoveel verdriet,
dat tranen maar blijven vloeien.
Bij zoveel leed ziet een mens toch vanzelf dat hij een ander in liefde moet helpen.
Je moet wel een hart van steen hebben
om voorbij te gaan aan het verdriet van een lief medemens.
Zijn wij als mensen niet even kwetsbaar – niet even weerloos?

Wat mij verwondert, zegt God, is de hoop.
Kijk, daar ben ik nu van ondersteboven!

Als je ziet wat er in de wereld allemaal misgaat!
Ze blijven hopen dat het morgen allemaal beter zal worden:
het is eigenlijk toch een klein wonder,
dat de mensen – te midden van al dat verdriet en die ellende –
die hoop-op-betere-tijden nog steeds niet kwijtgeraakt zijn.
In hun hart koesteren de mensen dat kleine vlammetje van de hoop.
Soms lijkt het uitgedoofd, soms geeft het geen warmte meer –
En tóch – en tóch:
het wil niet doven – het blijft gloeien onder de as van pijn en verdriet.
Zelfs duizend tranen kunnen het niet blussen.
Ik kan het soms zelf niet geloven – zegt God.

Geloof en liefde zijn, zoals twee volwassen mensen kunnen zijn:
hoop is als een klein kindje – een mensje van niks.
Het stapt tussen die twee grote mensen in: – hand in hand.

En iedereen denkt:
Hé, die twee mensen brengen dat kindje ergens naar toe.
Neen hoor, zegt God,
Dat zie je dan helemaal verkeerd!
Dat kleine mensje – die hoop, dus – die wijst de weg aan die twee grote mensen, aan dat geloof en aan die liefde.
Zo zwak en kwetsbaar als deze hoop is, zo geeft het richting aan hún leven.

Als geloof en liefde – die twee grote mensen – bij de pakken neerzitten,
neemt die kleine hoop ze bij de hand en brengt ze in beweging.
Zo’n wondertje gebeurt gelukkig vaak –
Want als dát gebeurt, — zegt God –
dan ben ik zó blij dat mensen dít voor elkaar willen betekenen !

(Vrij naar Charles Péguy)

De dode tak     ( a 20)

Er was eens een boom, een onbekende, bijzondere boom – ergens ver weg langs de waterkant. Niemand weet meer van de tijd dat deze boom daar begon te groeien.
Hij leefde daar breeduit met zijn vele takken.
Hij verdroeg de bulderende stem van de wind
of de geurige stilte van een broeierige, warme zomer-avondlucht.
’s Winters was het leven kaal en koud.
Zwiepend op de harde, koude wind stond hij daar met zijn twijgen als dichtgeklemde vuisten. Hij wachtte op de nieuwe lente die vol belofte zou zijn.
‘Ga je gang’, knipoogde de voorjaarszon, ‘doe wat de Schepper jou heeft gegeven. Keer terug met jouw groene bladerkleed.’
Zijn takken liepen uit en schoten bloesem. Het was een lust om te zien – zoveel geur en groen – de bijen zoemden zo hard, dat iedereen die langs de boom liep, ervan opkeek.
Als de zomer kwam, maakte hij een donkere hand gevuld met schaduw. Zomaar, voor ieder die onder de boom ging uitrusten. Als de regen begon te kletteren, was hij als een grote groene paraplu.
Zo leefde de boom met al zijn takken, jaar in, jaar uit: zijn krachten ontplooiend en dan weer zijn krachten verbergend. Lente, zomer, herfst en de winter.

Maar op een zekere dag kwam een man. Hij had een scherp mes bij zich. De boom verstijfde van schrik. Er was geen ontkomen meer aan: de mooiste tak van de boom werd afgesneden. De man nam hem mee naar zijn huis. De dode tak was voorgoed los van de stam en uit het leven weggesneden – weggerukt uit de grote gemeenschap van al die takken. Natuurlijk zou die tak spoedig vergeten kunnen worden, want wat is nu één tak te midden van al die andere?

Enige tijd later kwam die man bij die boom terug.
Er ritselde angst tussen de bladeren? Wie zou vandaag afgesneden worden?
Maar kijk: de man ging aan de voet van de boom zitten en hij blies op de afgesneden tak. Hij noemde dat zijn blokfluit. De man speelde een liedje en de boom begreep wat hij speelde. Hij hoorde de fluit zingen: ‘Zeg, horen jullie mij? Ik leef, Ik leef! En misschien leef ik nog meer dan ooit tevoren: Hoor, Ik leef, ik fluit, ik ben!’

Meditatie van een landman     ( a 21)

Mijn erf is slechts een schamel lapje grond
waarop ik al wat ik bezit, vergaarde.
Geringe plek, waar ik het leven vond
en toch, mijn eigen plaats op deze aarde.
Hier heeft mijn oog de vruchtbaarheid gezien,
als jaar na jaar de oogsten binnenkwamen.
Hier streed mijn ziel de zwaarste strijd misschien,
en vond, bij tegenspoed, ik een berustend: ‘Amen’.
Hier heb ik in de goede grond gewroet.
Ik zag niet op de blaren in mijn handen.
Ik vond de zwarte aarde wreed en goed,
aan haar verbonden door de sterkste banden.
Hier was de lange dag voor mij een uur,
als ik de ploeg zag snijden voor na vore.
Hier vond ik tijd te schouwen in ’t azuur
en blij te zijn om ‘t rijpen van het koren.

“Behoedt ons, Heer, voor onweer, hagel, pest”,
heb ‘k hier zo vaak devoot tot God gebeden.
‘k Heb met mijn zweet de akker ’t meest bemest,
met al mijn kracht om ’t klein bezit gestreden.
Hier vond ik mijn geluk en ook mijn leed,
voor elke glimlach offerde ik tranen.
Na elke weldaad die mij Gode deed,
kwam Hij mij mijn kwetsbaarheid vermanen.

Hier hoop ik, als ik moe geworden ben,
en als mijn hand het graan niet meer kan wegen,
Een wijle nog de rust, die ‘k nu niet ken,
in vrede te genieten, met Gods zegen.
En mocht ik vallen in de klare dag,
de ploeg geleidend door de rijke aarde,
dan dank ik God voor elke traan en lach
en weet dat ik een hemel mij vergaarde.

(Gerard van Hatert)

Menora – het beeld van God     ( a 22)

Het gerucht gaat, dat God zich aan het begin van de schepping van de wereld eenzaam voelde. Hij had alles gemaakt: de kosmos, de wereld, bomen, planten, dieren – alles was er en toch voelde hij zich eenzaam…

Hij nam aarde en water, hij boetseerde de mens, – zoals wij in het scheppingsverhaal lezen – en blies hem zijn levensadem, zijn Geest in. Adam, de eerste mens was geboren en hij zag er prachtig uit. Gods Geest in aardse materie….

Als we iets van God in ons leven willen zien, dan moeten wij naar zijn beeld en gelijkenis kijken: naar de mens – de mede mens – ook naar (naam van de overledene).
God was nu niet meer eenzaam – sterker nog: hoe meer mensen er kwamen, hoe meer Hij zijn handen er vol aan had. Want zeg nu zelf: maken we met elkaar er op aarde soms niet een rommeltje van?

Wat kunnen we uit dit verhaal leren?
Als een mens geboren wordt en groeit en bloeit, is God de schepper van dit leven. Hij geeft deze levensgeest aan ieder van ons te leen – tijdelijk, dus.

De Joodse symboliek kent nog een verbeelding van Gods Geest in het aardse stof: de menora, de joodse zevenarmige kandelaar.
Zeven is een heilig getal: 3 + 4.
Drie is het goddelijke getal – de Vader, de Zoon en de Geest.
Vier is het getal van de wereld – denk aan de vier seizoenen, de vier windstreken en de vier elementen van de wereld: van de aarde, het water, de lucht en het vuur, enz.

Aan de hand van de kaarsjes van de zevenarmige kandelaar willen wij het leven van (naam van de overledene) letterlijk en figuurlijk belichten.

Eerste kaars – geboorte

Tweede kaars – naamgeving

Derde kaars – groei en ontwikkeling

Vierde kaars – vruchtbaarheid

Vijfde kaars – waar was men goed in

Zesde kaars – verdriet

Zevende kaars – geloof

Prediker – uit de Bijbel     ( a 23)

Alles heeft zijn uur en tijd, alles in dit leven.
Er is een tijd om te baren en er is een tijd om te sterven,
een tijd om te planten en een tijd om te rooien.
Er is een moment om te huilen en een om te lachen,
er is een tijd om te rouwen en een voor het dansen.
Er is een tijd van liefde en een tijd van eenzaamheid.
Er is een tijd van zoeken en een van verliezen,
een tijd van bewaren en een tijd van wegdoen.

Wat bereik je met al je tobben en zwoegen?

Ik heb gemerkt dat God de mensen een zware en vermoeiende taak heeft opgelegd.
God heeft voor alles het juiste moment bepaald;
wel heeft hij de mensen het besef van tijd gegeven,
maar ze zijn niet in staat om Gods doen en laten van het begin tot het einde te volgen.
Daarom lijkt het mij het beste dat de mens vrolijk is en geniet van het leven.
Want als hij eet en drinkt en plezier heeft van zijn inspanningen,
is dat een geschenk van God.

Psalm 121     ( a 24)

Ik sla mijn ogen op naar de bergen:
zou iemand mij komen helpen?
Ja, mijn God komt mij helpen,
de schepper van hemel en aarde.

Hij zal niet toelaten dat je struikelt,
Hij zal niet slapen,
Hij waakt over jou.
Nee, slapen en sluimeren zal Hij niet,
Hij waakt over heel zijn volk.

Onze God houdt de wacht
als een schaduw over je heen.
Overdag zal de zon je niet steken
en ’s nachts zal de maan je geen kwaad doen.

Hij houdt alle kwaad van je af,
Hij neemt je onder zijn hoede.
En waar je ook gaat of staat, –
God zal je behoeden voor eeuwig.

Ik sla mijn ogen op naar de bergen:
zou iemand mij komen helpen?
Ja, mijn God komt mij helpen,
de schepper van hemel en aarde.

(vertaling Huub Oosterhuis)

Psalm 126     ( a 25)

Als God ons thuisbrengt uit onze ballingschap –
dat zal een droom zijn.

Wij zullen zingen, lachen, gelukkig zijn.
Dan zegt de wereld: “Hun God doet wonderen”.
Ja, Gij doet wonderen. God in ons midden, Gij, onze vreugde.

Breng ons dan thuis –
keer ons tot leven,
zoals rivieren in de woestijn,
die, als de regen valt, opnieuw gaan stromen.

Wie zaait in droefheid, zal oogsten in vreugde.
Een mens gaat zijn weg en zaait onder tranen –
maar zingende keert hij terug met zijn schoven!

Psalm 139     ( a 26)

Mijn God, Gij peilt mijn hart en Gij kent mij,
mijn God, Gij weet waar ik ga of sta.
Gij doorziet mijn gedachten van verre,
Gij hebt mijn reizen en rusten bepaald
en wat ik ook doe, Gij zijt er mee vertrouwd.
Ja, er komt geen woord op mijn lippen,
mijn God, of Gij hebt het al gehoord.
Gij zijt vóór mij en Gij zijt achter mij,
Gij hebt uw hand op mij gelegd –
wonder van wijsheid, dat mij te boven gaat,
onbereikbaar, ik kan er niet bij.

Hoe zou ik ooit ontkomen aan uw Geest
en waarheen vluchten: Gij ziet mij overal.
Beklim ik de hemel, Gij zijt in de hemel,
daal ik af in de aarde, daar vind ik U ook.
En vlieg ik mee met het morgenrood
tot aan het uiterste strand van de zee,
ook daar zal uw hand mij verder helpen,
ook daar houdt uw machtige hand mij vast.

Of ik nu uitroep: ‘Duisternis bedek mij,
laat het nacht worden om mij heen’.
Voor U bestaat er geen duisternis,
voor U is de nacht even licht als de dag,
de duisternis even stralend als het licht.

Uw schepping ben ik in hart en nieren,
Gij hebt mij geweven in de schoot van mijn moeder.
Ik dank U, Gij hebt mij zo wonderlijk gemaakt,
ontzaglijke wonderen zijn al uw werken.

Door U ben ik gekend, mijn ziel en mijn gebeente.
In mij was niets voor uw ogen verborgen
toen ik werd gevormd in het diepste geheim,
prachtig gevlochten in de schoot van de aarde.
Ik was nog ongeboren, Gij had mij al gezien,
en al mijn levensdagen stonden in uw boek
nog voordat Gij er één van had gemaakt.

Hoe moeilijk zijn uw gedachten voor mij,
God, wat een machtig geheel.
Ga ik ze tellen, ze zijn zo talrijk:
als het zand van de zee, en dan nog –
dan nog weet ik altijd niets van U.

Peil nu mijn hart, o God, en ken mij,
toets mij en weet wat er in mij omgaat.
Ik ben toch niet op een doodlopende weg?
Leid mij voort op de weg van mijn vaderen.

Psalm 23     ( a 27)

Mijn herder is de Heer,
Het zal mij nooit aan iets ontbreken.

Hij brengt mij in een oase van groen,
daar strek ik mij uit aan de rand van het water.

Daar is het goed rusten.

Ik kom weer tot leven, dan trekken wij verder,
vertrouwde wegen, Hij voor mij uit.
Want God is zijn naam.

Al moet ik het duister in van de dood,
ik ben niet angstig.
U bent toch bij me
en onder uw hoede durf ik het aan.

Gij nodigt mij aan uw eigen tafel,
en allen, die tegen mij zijn,
moeten het aanzien, dat Gij mij bedient,
dat Gij mij zalft, mijn huid en mijn haren,
dat Gij mijn beker vult tot de rand.

Overal komen geluk en genade mij tegemoet,
mijn leven lang,
en altijd kom ik terug in het huis van de Heer,
tot in lengte van dagen.

Psalm 23     ( a 28)

De Heer is mijn herder,
hij gaat mij vóór naar velden vol dicht, levend groen,
waar het heerlijk weiden is.
Dankbaar staat Hij achter mij,
als ik drink van bronhelder water,
dat mijn heetste dorst verslaat.

Hij wijst mij het veiligste pad en zegt: Dit is mijn naam.

Wordt het toch steil en glad, dan is hij mijn stok.
Ben ik terug in het dal waar alles grauw is en kaal
– de dood zelf –
dan staat Hij naast mij en zegt:
wees niet bang – hier is mijn hand.

Sluiten mijn vijanden verwoed mij in om mij uit te hongeren:
Hij geeft mij voedsel in overvloed.
Zorgzaam zalft Hij de brandende wond van mijn hoofd met zachte olie.
Hij geeft mij een beker te drinken vol veerkracht en levensmoed.

Zijn heil en zijn stille goedheid blijven mijn hele leven mij volgen.

Hij is mij een huis dat nooit wordt weggebroken of afgenomen
en waar ik vrij, gelukkig mag wonen
tot in lengte van dagen – altijd!
(Vertaling van Gabriel Smit)

Psalm 32     ( a 29)

God is niet als een mens die in slaap valt.
Je raakt bij Hem niet uit het oog.
Hij gaat met je mee
en blijft bij je, zo zeker als je schaduw bij je blijft en je niet verlaat.
Hij bewaart je als de zon straalt overdag
en ’s nachts als de maan schijnt.
Je raakt niet verloren, zelfs niet in het duister van het kwaad.
Hij zal je bewaren die je bent:
je diepste zelf.
God zal je bewaren in leven en dood,
tot in eeuwigheid.
Amen

Sta niet te huilen      ( a 30)

Sta niet aan mijn graf te huilen.
Ik ben daar niet. Ik slaap ook niet.
Ik ben duizend winden die waaien.
Ik ben de diamanten schittering op pas gevallen sneeuw.
Ik ben het zonlicht op het rijp golvend graan.
Ik ben de zachte herfstregen.

Wanneer jij wakker wordt in de morgenstilte,
ben ik de voortsnellende vlucht van stil wiekende vogels in de lucht.
Ik ben de zwak flonkerende sterren in de nacht.
Sta niet aan mijn graf te huilen.
Ik ben daar niet meer.
Ik ben niet gestorven.
(bron onbekend)

Verzonnen?     ( a 31)

Verhaal uit “Bijna iedereen kon omvallen” van Toon Tellegen

Toen de mier weer eens een verre reis maakte,
zat de eekhoorn voor zijn raam en dacht aan hem.
Plotseling begon hij te rillen en dacht: ‘bestaat de mier eigenlijk wel?’
Hij ging aan tafel zitten en verborg zijn hoofd in zijn handen.
Misschien heb ik de mier wel verzonnen… dacht hij.
Zijn gedachten werden zwart en hij was bang dat hij zó bang zou worden dat hij zich nooit meer zou kunnen verroeren.
Nog net op tijd sprong hij op, liep naar buiten, klom langs de beuk naar beneden en holde het bos in.

Al snel kwam hij de krekel tegen.
‘Krekel’ zei hij buiten adem, ‘heb jij wel eens van de mier gehoord?’
De krekel stond stil en er verscheen een peinzende uitdrukking op zijn gezicht.
‘De mier…’ mompelde hij, ‘heb ik daar wel eens van gehoord… Hoe zei je ook maar weer?’
‘De mier’, zei de eekhoorn. ‘De mier.’
‘De mier’ herhaalde de krekel bedachtzaam. ‘De mier. De mier…’
Toen schudde hij zijn hoofd. ‘Nee,’ zei hij. ‘Daar heb ik nooit van gehoord.’
‘O,’ zuchtte de eekhoorn. ‘Dan heb ik hem misschien verzonnen.’
‘O ja?’ vroeg de krekel nieuwsgierig. Hij was gek op verzinnen.

Maar de eekhoorn liep vlug verder en vroeg hetzelfde aan de tor, de zwaluw, de olifant en de mus. Maar niemand had van de mier gehoord. ‘Nee,’ zeiden ze. ‘De mier… Nee. Helaas.’ Ze hadden van de desman, de kneu, de gnoe, de muskus-os en de narwal gehoord, maar niet van de mier.

Aan het eind van de middag liep de eekhoorn naar huis. Zijn voeten leken wel van modder en hij kon nauwelijks meer in de beuk klimmen.
Somber bleef hij voor zijn voordeur zitten, terwijl de laatste stralen van de zon langs zijn wangen gleden.
Ik heb hem dus verzonnen… dacht hij.
Dus ik heb ook zijn voelsprieten en zijn tenen verzonnen, en dat hij honing het aller-lekkerste vindt dat er bestaat… En dat ik hem mis, dat heb ik dus ook verzonnen…

In zijn gedachten zag hij zijn verzinsel lopen. En samen zaten ze aan de oever van de rivier, hun armen om elkaars schouders. Even later hoorde hij zijn verzinsel zelfs tegen hem praten en hem iets ingewikkelds uitleggen waar hij niets van begreep.
Zo viel hij in slaap, voor de deur, op een warme avond in de zomer.

Ver weg, in de woestijn, wiste de mier de zweetdruppels van zijn hoofd, terwijl hij zo hard mogelijk holde, op weg naar het bos, naar de eekhoorn.
‘Als hij me maar niet vergeten is’, dacht de mier en holde nog harder.
‘Ik kom eraan!’ riep hij. ‘Eekhoorn, ik kom eraan!’

Verzonnen?     ( a 31)

Verhaal uit “Bijna iedereen kon omvallen” van Toon Tellegen

“Denk je dat wij ooit afgelopen zijn, eekhoorn?” vroeg de mier op een keer.
De eekhoorn keek hem verbaasd aan.
“Nou, zoals een feest afgelopen is,” zei de mier. “Of een reis.”
De eekhoorn kon zich dat niet voorstellen.

Maar de mier keek uit het raam naar de verte tussen de bomen en zei:
“Ik weet het niet….”

Er verschenen rimpels in zijn voorhoofd.
“Maar hoe zouden we dan moeten aflopen?” vroeg de eekhoorn.
Dat wist de mier niet.

“Als een feest is afgelopen gaat iedereen naar huis,” zei de eekhoorn. “En als een reis is afgelopen, wrijf je in je handen en kijk je of er nog een potje honing in je kast staat. Maar als wíj zijn afgelopen….”

De mier zweeg. Hij maakte een raar geluid met zijn voelsprieten.

“Wat is dat voor een geluid?” vroeg de eekhoorn.
“Knakken”, zei de mier.
Daarna bleef het lange tijd stil.

De mier stond op en begon met zijn handen op zijn rug, door de kamer heen en weer te lopen.

“Denk je erover na?” vroeg de eekhoorn.
“Ja”, zei de mier.
“Weet je het al?”
“Nee.”
De mier ging tenslotte weer zitten.

“Ik weet het niet,” zei hij. “Ik weet vrijwel alles, dat weet je, eekhoorn…”
De eekhoorn knikte.
“Wat ik niet weet,” ging de mier verder, “mag geen naam hebben. Maar of wij ooit aflopen….”

Hij schudde zijn hoofd.

De eekhoorn schonk nog een kopje thee in.

De mier nam een onzeker slokje….

Wie zal zeggen…     ( a 33)

Wie zal zeggen waar het toe leidt?
Wie zal onder woorden brengen wat geen mens meer kan?
Wie weet het verband van al wat bestaat?

Zo aan de grens van wat we aankunnen –
met grenzen die ons omringen, moeten we levend ontdekken
of er een weg is,
zien hoe die weg is,
en waarlangs te gaan.

Ik ga terug naar waar ik vandaan kwam.
Mijn leven is mij geschonken
en nu geef ik het over in alle rust en vrede.
Het was een mooi en groot cadeau
dat ik ten volle heb geleefd.
Treur, als je wilt, maar word niet boos of bitter,
ik heb geen spijt, noch verwijten

Door de dalen leken de toppen veel hoger,
en het uitzicht weidser,
en ik hoop, dat je net als ik,
je de fijne tijden zult herinneren
en de moeilijke dagen, die overwonnen werden.

Ik hoop dat je – net als ik – zult denken:
We hadden het goed.
Het is goed, zo.
(N.N.)

Als de koude, mistige herfstwind…     ( a 34)

Als de koude, mistige herfstwind de bomen laat kreunen, dan beven de bladeren.
De boswachter scherpt zijn bijl en de beuken sidderen van angst.
Er is geen haas die niet angstig vlucht, als hij in de verte geweerschoten hoort.

Een mens die de dood niet vreest: bestaat er zo’n mens? En als die er is, dan begrijp ik hem niet!
Maar misschien is hij wel moe of uitgeleefd – wellicht doodziek, wonend in een onbekend lichaam, dat eens het zijne was…

Wij worden geboren om te leven, om te zingen, lief te hebben, te delen en om gelukkig te zijn, maar het doodgaan kronkelt zich als een slang door ons hele leven heen…

Ik wil niet sterven, want de dood heeft geen gezicht.
Hij heeft geen mond, hij is een raadsel zonder ogen. Hij tast rond in den blinde en maait de mooiste bloemen weg, maar spaart de scherpe distels. Hij vernielt een rijpe oogst en stapt voorzichtig over puin en brandnetels heen.
De dood is als een raadsel zonder woorden en ogen.

Natuurlijk begrijpen we hem niet: de dood kan niet begrepen worden, want óók het leven onttrekt zich immers aan ons verstand.
Wij worden – op Zijn tijd – als zaden in de pas geploegde akker begraven om – na een lange winter – in een nieuwe lente te staan in Zijn Licht.
Wij worden dan opnieuw geboren om in een nieuwe – onbegrijpelijke – zomer – te leven, bemind te worden en geborgen te zijn in Gods liefdevolle Handen.

Wie dat begrijpt – die mag het zeggen!

Verhaal van Toon Tellegen: ‘De mier is uit’      (a 35)

De mier is niet weg, dacht het vuurvliegje. De mier is uit.
Iets binnen in hem is uitgegaan. En hij kan niet meer aangaan.
Dat kan alleen ik.

Hij rilde. Hij had het koud.
Misschien is dit ergens het begin van, dacht hij.
Misschien gaat er straks iets binnen in iedereen uit.
Hij vroeg zich af of alle dingen dan ook zouden uitgaan.
Hij schudde zijn hoofd. Die zijn al uit, dacht hij. Die zijn lang geleden al uitgegaan.

Toen dacht hij weer aan de mier en iedereen.
Als iedereen uitgaat blijf ik dus alleen over.
Hij krabde aan zijn achterhoofd.
Maar waarom zou ik dan nog aangaan? Dacht hij.

Hij haalde diep adem.
Het is maar goed dat ik dat niet weet.
Hij hoorde een zacht geruis en keek op.
Het was de nachtvlinder, die naast hem kwam zitten.
‘Dag nachtvlinder’, zei het vuurvliegje.
‘Dag vuurvliegje’, zei de nachtvlinder
Een tijd lang wisten ze niet wat ze moesten zeggen, toen zei het vuurvliegje: ‘ De mier is uit. Wist je dat?’

De nachtvlinder schudde zijn hoofd.
‘Nee’ , zei hij, ‘ hij is niet uit. Hij is iets anders’ .
‘Weg, bedoel je?’ vroeg het vuurvliegje.
‘Nog iets anders,‘ zei de nachtvlinder.
‘Op?’ vroeg het vuurvliegje.
‘Nog iets anders,’ zei de nachtvlinder, maar hij wilde niet zeggen wat het was.
‘Af?’ vroeg het vuurvliegje. ‘Onder? Leeg? Stuk?’
Maar de nachtvlinder zei niet wat de mier was, en hij zei ook niet hoe hij dat wist en waarom hij het niet wilde zeggen.
‘Is het soms erg?’ vroeg het vuurvliegje.

De nachtvlinder vouwde zijn vleugels uit en zei: ‘Het is iets anders, vuurvliegje, iets heel anders’.
Toen vloog hij weg.
Het vuurvliegje bleef zitten. Hij gloeide zachtjes.
Onder hem op de grond zwaaide zijn schaduw langzaam heen en weer.
Misschien is het niets, dacht hij, is hij niets.
Er kroop een duister gevoel vanuit zijn tenen omhoog tot in de uiteinden van zijn vleugels.

De mier is ook uit, dacht hij toen.
Hij deed zijn ogen dicht en viel in slaap