Wendingen uit 1928 – een artikel over ikonen

Wendingen uit 1928 – met een artikel over ikonen en vele ikonen en hun toelichting

Wendingen

De Russische ikonen – door Dr. L. H. Grondijs

Nog voor veertig jaren, werd de Russische ikoonkunst in West-Europa meest veracht als een dienstbare, onbelangrijke, van het leven vervreemde en in traditioneele vormen verstarde kunst. Ondertussen is echter, vooral onder de invloed van het impressionisme, een hoe langer hoe hoger stijgende belangstelling in de ikonen wakker geworden. De Westersche kunstminnaar heeft er, tot zijne verwondering, de realisatie in gevonden van menig oud schoonheidsideaal en de oplossing van menig langgezocht probleem. Wil men de ikonen niet alleen beoordeelen naar opvallende uiterlijke kenmerken, wil men zich niet tevredenstellen met enkel maar de classificatie der gevolgde schildersprocedee’s en der historische ikonenscholen, wenscht men vooral zich een denkbeeld te vormen van de plaats, die de ikonen innemen in het cultuurleven haars tijds, dan behoort men kennis te nemen van de zeer bijzondere “ikoonphilosophie”, die haar opvatting, stijl en techniek bepaalt.

De ikoonkunstenaar staat in dienst van het kerkelijk onderricht. Hij heeft tot taak, in zichtbare vormen een bovenaardsche werkelijkheid neer te leggen, gelijk de godsdienst haar aan zijne geloovigen onderwijst. En opdat de bedoelingen zijner kunst overeenstemmen  met het voorwerp der godsdienstprediking, zal hij in on-aardsche en symbolische trekken, in grenstypen en vormschakeeringen, verbeeldingen moeten neerleggen, welke in den geloovige herinneringen of vóórgevoelens wekken van een bovenzinnelijke, een “hemelsche” wereld van godheid en heiligen.

Deze “ikonographie van het bovenzinnelijke” is gegroeid uit de van ongeloofelijk enthousiasme vervulde beeldenvisie van het Oostersch Christendom. Men vindt er een oude Grieksche gedachte in terug: alle werkelijke dingen in onze zichtbare wereld zijn afbeeldingen van zelfstandig bestaande oer-vormen of prototypen. Er zijn echter oer-vormen, die op aarde niet verwerkelijkt zijn.

In den schoot der godheid verborgen, in de volheid der Wijsheid ingebed, sluimeren, onuitgevoerd, oneindig vele vóór-vormen en –beelden. Deze ongebaarde vormen, welke voor haar verwerkelijking een volmaakter stof vereischen zouden, dan de wereld inhoudt, kunnen alleen door den begenadigden ziener worden aanschouwd. De wijze bakent er de begrippen van af, de ziener deelt er de visie’s van mede, de kunstenaar onderscheidt er de trekken van, temidden van de purperen wolken welke het “centrale goddelijke licht” omgeven.

Volgens die leer is de menschelijke vorm niet de noodzakelijke eindterm der aardsche scheppingsreeksen. Reeds had de verbeelding der joodsche profeten hoogere aanzijnsvormen van het geestelijke wezen meenen te onderkennen in den Cherub, waarin de mensch met drie treffende uitdrukkingen van dierlijke geestelijkheid (leeuw, stier en adelaar) is samengesmolten.

Wel is Christus, in Zijn tweede natuur, gebonden aan de menschelijke lichaamsvorm, evenals de aartsvaders en de heiligen. Maar noch de oud-Christelijke, en evenmin de Russische ikoonverbeelding, hebben de heiligen der kerk bekleed gedacht met normale menschelijke schoonheid. In de 17e eeuw heeft Nicoon’s voornaamste tegenstander, abt Awakoem, verzet aangeteekend tegen de schilders, die den Christus afbeelden met een fraai, vol, zinnelijk, rond, bloeiend gelaat.

De oude kerk heeft den Christelijken Übermensch vereerd in den asceet, die, in ononderbroken geestelijke oefeningen, in onthouding en eenzaamheid, in overdenking en lijden, zijn geest voorbereid voor kortstondige versmeltingen met het goddelijk beginsel. Zoo springt de verbeelding den ikoonschilder dan ook van de menschelijke, naar een hoogere oer-vorm over. Op de ikonen verschijnen de heiligen als een hooger “engelachtig” type. In een bleek uitgeteerd, “vergeestelijkt” gelaat lichten vlammende oogen op, in een onafgebroken spanning naar de godheid gericht. Het vermagerde lichaam is door een lange tucht aan den wil onderworpen. Naar een zuivere elegantie worden de volkomen dienstbare ledematen bewogen, in verfijnde gebaren, volgens verheven bedoelingen. Alle zinnelijkheid en alle zwaarte schijnen opgeheven: de te kleine voeten onder de slanke beenen, hebben nauw meer een gewicht te dragen.

Ook het goddelijk karakter der Maagd is in een bijzondere ikonographie uitgedrukt. Op de ikonen verschijnt zij, op een onbereikbaren rang, als de eenige vrouw onder enkel mannen. In hooger mate dan zij allen, verpersoonlijkt zij de ontheffing aan alle zinnelijkheid, daar zij alleen baart en niet arbeidt, alleen passief en nooit ingrijpend schept. Terwijl de andere heiligen de goddelijke vonk, die in hen gelegd is, moeten uitstralen als een bundel handelingen, door den nevel der stoffelijke wereld, staat de Heilige Maagd volmaakt stil in het middelpunt aller menschelijke bedoelingen, voorbeeld zonder daad, voortreffelijk zonder verdienste. Met zóó lichte banden is zij aan de materie gebonden, dat zij schijnt, nauwelijks uit het Pleroma in de wereld te zijn uitgetreden. De trekken van haar gelaat worden niet opgevat als voertuigen van gevoelens, maar als omtrekken der gelaatsarchitectoniek: onder de (naar menschelijke maat) te lange en te dunne neus ligt de keurige arabesk der aristocratische lippen de te groote, opmerkzame oogen, die al het leed der wereld schijnen op te drinken, glanzen uit met den gloed eener twijfellooze overtuiging, zonder vrees voor logenstraffing of weerstand. Naast de door de Russische vroomheid diep vereerde en hartstochtelijk beminde Moeder, wordt het Kind bijna iets bijkomstigs.

De ikoonschilder ziet zijne heiligen niet temidden van aardse tafereelen, maar in de omraming van hemelsche landschappen. De vloeden en weiden, de rotsen en boomen, de wolken en gebouwen worden naar “byzantijnsche” symboliek afgebeeld met gedurfde, nu strakke dan grillige omtrekken, en vormen een bijzondere geheimzinnige wereld, aan gene zijde van alle aardsche horizonten, ver achter de stoutste droomen. De nimben der heiligen, en de hemelsche landschappen, zijn omstraald door bundels van kleuren, zoo licht en kinderlijk, zoo vroolijk en opwekkend, dat het hart van den geloovige er zich door voorbereidt tot een voortreffelijkere onaardsche blijheid. Een bijzondere kleurensymboliek, welker toonschaal ontleed is aan de pracht der zonsondergangen, beheerscht deze feestelijke phantasieën. In het Westen heeft de Renaissance, door de kunstverbeelding naar het waarneembare terug te leiden, voor altijd de kerkkunst gedood. In de Russische ikonen bezitten wij de eenige Christelijke in Europa, en waarschijnlijk de eenige gemeenschapskunst, die in ons werelddeel nog mogelijk schijnt.

Ikoon der Moeder Gods met de duif, van Konewets. School van Novgorod. 15e eeuw. Het origineel is een beroemde Mariabeeltenis, die volgens de traditie omstreeks 1400 uit den Mont Athos overgebracht zou zijn naar het klooster Konewets aan het Ladogameer. de stijl is Italo-Byzantijnsch.

Foto: Julius Oppenheim, Den Haag.