Interview met Marjan Smit

Marjan Smit: van burcht, naar water, naar glas…

In mei 2020 mocht ik haar op haar eeuwenoude boerderij in Eindhoven interviewen. Opnieuw werden we bijzonder gastvrij door Marjan en Will ontvangen. Ik wilde graag van haar weten welke ontwikkeling in haar werk (grafiek en glas) te zien is. Ik gebruik in het gesprek de woorden ‘ets’ en ‘droge naaldtechniek’ af en toe door elkaar, maar het zijn twee onderscheiden grafische technieken. Marjan legt dit in het interview uit.

Dat gaat het niet worden…

Na mijn Atheneum A ben ik van 1979 – 1984  aan de Kunstacademie Artibus in Utrecht gaan studeren. Ik startte bij de studierichting ‘Publiciteit’, voornamelijk reclamevormgeving. Er was nog geen grafiekafdeling. Ik begon met letters te ontwerpen. Ik vond het wel interessant, maar had ook het idee: ‘Dit gaat het niet helemaal worden…’ Daarna kreeg ik veel modeltekenen, wat ontzettend goed is voor in je werk. Je leert scherp kijken en dat is het belangrijkste. Later kreeg ik ook les in grafiek.

Ik had mijn hart meteen aan de grafiek verloren. Omdat mijn moeder Gerda Smit daar mee bezig was, wist ik er al het een en ander van. Maar ik had zelf nog nooit grafiek gemaakt. Ik tekende wel en maakte objecten.

Langzamerhand kreeg ik de smaak te pakken en maakte litho’s, linosneden en foto’s. Je kreeg veel dingen om te reproduceren en dat vond ik best boeiend. Ik maakte op de academie realistische etsen, zoals eentje met de titel: ‘Hé, daar ligt een beer in het landschap.’ Dat was een zeer gedetailleerde afbeelding. Ik ben een liefhebber van ‘klein’ en ‘pruts-pruts-pruts’ en ik kan eindeloos lang met iets kleins bezig zijn. Dat zie je nu ook aan mijn kronen op mijn glaswerk. Ik vind dat ‘prutsen’ heerlijk en ik kom dan in een soort ‘flow’. Ik kan bijvoorbeeld urenlang blaadjes in mijn glasbrander knippen. Zalig! Mijn hoofd is dan leeg en op dat moment komen de creatieve ideeën.

Bij mijn onderdeel grafiek op de academie leerde ik eerst het echte etsen met een waslaag op het metaal en het zuur dat de etsgroef uitbijt. Later kreeg ik les van leraar Rien van der Nat  die enthousiast was over ‘het grote gebaar’ en de ‘droge naaldtechniek’. Je krast dan met een etsnaald (burijn)  in het zink. Als je die plaat onder een loep bekijkt, zie je een prachtig lijnen- en groevenspel, zoals bij een houten tafelblad dat lang in gebruik is. Ik vond dat zó mooi! Ik kreeg een soort ‘werkontploffing’ en maakte een groot aantal droge naald afdrukken. Bij een van de afdrukken had een medeleerling per ongeluk met haar roller witte litho-inkt over een hoekje van mijn ets gerold. Bij het afdrukken  gaf dat zo ’n bijzonder effect, dat ik sindsdien het aanbrengen van litho-inkt  altijd op mijn droge naald techniek toepas. ‘Het geheim van de Smit’, zoals jij dat, Hans, op jouw website genoemd. Die litho-inkt gaat een soort verbinding met de metalen plaat aan en dat geeft een bijzonder effect aan mijn printen. Ik druk trouwens op lithopapier af. Daar werk ik het prettigste mee. Gerda gebruikte dat ook.

Nog tijdens de kunstacademie heb ik het figuratieve helemaal achter me gelaten en ben me bezig gaan houden met vormen en lijntjes.

Van lijntjes naar pakhuizen

marjan smit droge naald ets
2000 – geen titel – 00/35 – 33 x 20 cm.

Hoe ben je op het thema ‘de burchten en pakhuizen’ gekomen?

Ik ben jarenlang vrijwilliger in het kasteel Loevestein geweest. Ooit hadden ze me gevraagd om in de Kruittoren mijn etsen te exposeren. Ik had gelezen, dat als mensen over huizen dromen, het over henzelf gaat. Ben je in de keuken, dan ben je in een creatieve afdeling. Ga je naar de kelder, dan daal je af in je onderbewuste. Leef je op zolder, dan denk je vooral verstandelijk met je ‘bovenkamertje’. Ik kan in mijn etsen zien, in welke jaren ik bepaalde gevoelens heel sterk ervaren heb. Ik heb ooit een dikke keel gehad waardoor ik moeilijk kon ademhalen. Ik tekende toen een zwart figuur met bovenin overal gaatjes en hokjes: een moeilijk ademhalend wezen…

Dus in jouw etsen kan je ook iets van jouw privéleven lezen?

Ja, ja! Dingen van mijn scheiding of ‘n heftige ruzie met een familielid. Ik heb ooit een ets gemaakt met links een huis met alles er op en er aan, en aan de andere kant eigenlijk niets. ‘Het huis dat gescheiden is’. Tja, dat zijn eigenlijk hele gekke dingen…

Mensen vragen me ook wel eens, wat ik met die rood-witte bal aan de hemel bedoel. Eigenlijk is het heel simpel. Ik zie mijn etsen als een soort landschapjes waarin de zon schijnt. Maar het is wat lullig om alleen een soort rondje in de lucht te tekenen. Ik herinnerde me dat een kunstgeschiedenisleraar mij verteld had: ‘Als je gekruiste lijnen maakt, suggereer je beweging.’ Met de lijnen van dat kruis in dat rondje kan je nog richting aangeven. Als tegenhanger – en daarmee roept het ook een bepaald evenwicht, een bepaalde balans, in de compositie op – heb ik aan de andere kant vaak alleen het kruisje staan. Het gekke is: als dat kruisje er niet is, klopt er voor mij iets niet.

Het drukken van die droge naald, ja, dat raakt mij diep. Het is direct en – dat klinkt misschien raar – je gaat ook ‘achterstevoren’, in spiegeldruk, denken. Je complete compositie moet je namelijk in spiegelbeeld op de plaat zetten.

Mijn eerste ets verkocht…

1983 – geen titel – 1/3 – 27,5 x 25,5 cm. – ‘droge naald-grafiek’

Wanneer maakte je je eerste droge naald?

Tja, dat zal zo rond 1981 geweest zijn. Ze zijn nooit in de verkoop gekomen. Die jij hebt uit 1983 is vrij zeldzaam en bijzonder. Dat moet een van de eerste etsen zijn, die ik verkocht heb.

Ik kan me ook nog mijn eerste verkoop van een droge naald print herinneren. Ik was net twee weken van de academie af. Ik had hele grove droge naalden die ik op het lichtbeige canvas van afgeschreven brancards van het ziekenhuis drukte. In die stof zag je gaatjes, rafels, versleten plekken: echt een doorleefde stof. Bij die grote droge naaldenplaten gebruikte je veel inkt en ging je hard op dat canvas tekeer. Ik heb er helaas geen foto’s van. Als ik ze gedrukt had, plakte ik ze op een ondergrond en deed er een lijst op heen. Iemand vond het prachtig en zei tegen me: ‘Dat is een oeros’. En ik dacht bij mijzelf: ‘Oeros? Oeros? Hoe komt hij daar toch bij?’ Maar zó verkocht ik mijn eerste print en huppelde opgewonden door het huis. Daarna gebeurde er anderhalf jaar niets meer… Maar dat maakte niets uit: de eerste was verkocht. Maar die printen waren zó mooi. Ik zou het zó nog een keer willen proberen. En, het was gewoon leuk!

1986

Moeder Gerda

Welk beeld heb je van je moeder Gerda ( 1940 – 2004) als kunstenaar?

Ik herinner mij haar vooral dat ze altijd tekende en schilderde. Toen ze in haar jeugd in een kindertehuis zat, deed ze dat al. Een van haar pleegouders heeft later al haar tekenboeken weggegooid. Mijn moeder moest van hen naar de pedagogische academie, ook al wilde ze graag naar de kunstacademie. Ze werd kleuterleidster en via een schriftelijke cursus tekenen heeft zij zichzelf verder ontwikkeld. Toen we in Eindhoven woonden, is ze op het Centrum voor Kunstzinnige Vorming verder gaan studeren. Daar leerde zij de techniek van de droge naald. De platen drukte ze eerst af in een bankschroef. Later werd haar pers een mangel van een wasmachine, waar mijn vader ijzeren buizen om gemaakt had. Primitief, maar het werkte wel. Toen we hier in 1984 in de boerderij kwamen wonen, hebben we de inboedel van het atelier van een oude kunstenaar opgekocht en zo hadden we samen een etspers. Later hebben we er nog een nieuwe lichtgewicht pers voor Gerda bijgekocht.

Gerda Smit – geen titel – 1989 – 45 x 27,5 cm.

Welke invloed heeft jouw moeder op jouw manier van etsen gehad?

Ze liet mij vooral mijn gang gaan – we hebben ook een hele andere manier van werken. Bij haar ziet het er schijnbaar snelgetekend uit, maar als je er de voorstudies van ziet, weet je, dat alle lijntjes precies op de plek kwamen die zij wilde. Zij regisseerde als het ware haar tekeningen. Ze wilde met zo weinig mogelijk lijnen een maximaal resultaat in de uitdrukking geven. Je kunt het vergelijken met het werk van Dick Bruna. Met het verschuiven van een paar millimeter van bijvoorbeeld de ogen of de mondlijn kan je een totaal andere uitdrukking in het gezicht maken. We hebben een keer geprobeerd elkaars etsen af te drukken, maar het gekke was: dat lukte ons totaal niet! Het werd iets heel anders. Ze had een heel andere manier van ‘afslaan’ van de inkten dan ik. Hoeveel inkt je bij de print op de plaat laat zitten, moet je in je vingers hebben en dat kan niemand van je overnemen.

De boerderij waar haar atelier naast ligt.

In jouw etsen zie je een opvallende verandering in thema: van burchten naar boten en water. Er komt ook veel meer kleur in jouw grafiek. Hoe is dat zo gekomen?

In 2004 zat ik in een moeilijke periode van mijn echtscheiding, de mogelijke verkoop van de boerderij en de dood van mijn moeder Gerda. Toen kwam ik Will tegen en hij is een echte levensgenieter én hij had een boot. Voor mij brak er in die liefde een hele nieuwe levensfase aan. Door de vele boottochten kreeg ik een nieuwe visie op de wereld, want vanaf het water kijk je toch op een andere manier naar de werkelijkheid. Je levensritme wordt trager en je neemt meer tijd om aandachtiger naar dingen te kijken. Zo verdwenen de burchten en kastelen en kwamen er water, boten, pakhuizen, beestjes en kleur voor terug.

Jaar onbekend – Uiterwaarden – 00 / 00 – 100 x 80 cm.

Thema’s water en boten

In 2005 veranderde dus het thema in mijn grafiek, toen ik voor het eerst met Will op de boot was en in de buurt van Zaandam voer. Vanaf de boot zag je bij een woning een binnenmuur van een afgebroken huis. Je zag de tegeltjes van de douche, de gele kleur van de slaapkamer, het schoorsteenkanaal, de plek waar de trap naar boven liep, enz. Dat was een prachtige vlakverdeling. Ik heb er een foto van gemaakt en thuis meteen op een zinkplaat getekend. Dat was mijn eerste droge naald met een boot en een waterpartij. Vanaf dat moment kwam er ook veel meer kleur in mijn werk.

marjan smit glas
Een deel van het glas in lood raam

Hoe ben je met glas in aanraking gekomen?

Iemand die een hele verzameling van mijn etsen heeft, vroeg mij jaren geleden of ik voor hem een driedelig glas-in-loodraam zou willen maken. Toen ik een schets gemaakt had, kreeg ik van de glazenier een grote doos met tweehonderd kleurtjes glas mee. ‘Ga maar eens kijken welke kleuren je bevallen’, zei hij toen. Er zaten prachtige, zelfs antieke stukken glas in. Ik heb toen een driedelig ontwerp gemaakt en van die glazenier leerde ik dus veel over het glas. Ik vond het prachtig! Vooral de transparantie. Zo is ‘glas’ bij mij blijven hangen. Ik heb ook nog een tijdje olieverfschilderijen gemaakt, maar het bleek toch niet ‘mijn ding’. Ik vind het te dicht en te plat.

Liefde voor ‘glas’.

Kunstmarkt op het Spui in Amsterdam

In de Randstad kennen velen jou via jouw verkoop op de zondagse kunstmarkt op het Spui in Amsterdam. Hoeveel jaar heb je daar ’s zondags gestaan?

2002 – op de Kunstmarkt op het Spui in Amsterdam

Ja, ik heb toch ruim 20 jaar in mijn kraampje gestaan. Mijn eerste kunstmarkt was in Capelle aan de IJssel. Mijn zoon was nog heel klein. Dat zal zo rond 1985 geweest zijn. Ik had nog niet eens geld voor lijsten, dus mijn etsen zaten in van die flapperende passe-partouts. Het zag er niet uit en dus ook niks verkocht. Later was ik in Zeist en daar verkocht ik wel wat. Zo kon ik nieuw materiaal inkopen. Je moet zelf wat ondernemen, want galeriehouders stoppen niet voor jouw deur.  Je kunt ook niet zomaar op hen afstappen en zeggen: ‘Hallo, ik ben Marjan en ik kan d‘er wat van…’ Je moet samen een vertrouwensrelatie opbouwen, want galeries zijn belangrijk om bekendheid aan je werk te geven.

In Amsterdam stonden we aan het eind van de 80er jaren eerst op het Thorbeckeplein en later op het Spui. Op het Thorbeckeplein hadden we nog geen achterdoek in onze kraam en het viel ons op dat we zoveel aandachtige kijkers hadden. Het werd ons snel duidelijk, dat al die aandacht niet voor onze etsen was, maar voor de achter ons gelegen seksclub. Zo’n kunstmarkt is toch een soort openluchtgalerie waar je heel vrijblijvend kunt komen kijken.

1999 – geen titel – 1 / 25 – grootte onbekend

Droge naald? Nou, die heb mijn man ook!

Ik heb op het Spui tot ongeveer 2010 gestaan. Op een bepaald moment ga je rekenen en dan blijken de uren en de inspanningen moeilijk op te wegen tegen de inkomsten. Het kost je jaar in jaar uit twee à drie dagen per week, kraamgeld, parkeergeld, inpakken, uitpakken, enz. Nu zit ik in het weekend in een heerlijk rustig atelier met een muziekje op te werken. Op zondag kijk ik nog steeds, wat voor weer het is, als een soort fantoompijn. Maar wanneer het dan regent denk ik:’O, wat heerlijk dat ik hier zit en dat mijn spullen niet meer nat worden.’ Maar ik heb er zeker een redelijke bekendheid door gekregen. Het was een goede tijd. Er is een grote saamhorigheid tussen de vele kunstenaars. Als ik een beginnend kunstenaar tegenkom zou ik deze willen adviseren om een tijdje op een kunstmarkt te gaan staan. Je wordt er ook ‘hard’ van, want je krijgt van alles naar je hoofd geslingerd. ‘Nou, dat lijkt nergens op’ of ‘Droge naald? Nou die heb mijn man ook!’

Ik teken niet exact wat ik zie, maar het is meer de indruk, die ik van iets krijg: de herinnering aan wat ik zag. Als ik iets zie, dan denkt ik niet: dat ga ik tekenen. Nee, je absorbeert de vibraties en de kracht, die er in zitten en vervolgens ga je helemaal opgeladen aan de slag. Dan kan het wel even duren voor ‘het’ er uit komt. Zo gaat het tenminste bij mij. Als ik een idee in mijn hoofd hebt en ik ben aan het tekenen, neemt het getekende beeld over wat ik in mijn hoofd heb zitten. Mijn hoofd is leeg, maar ik ben het beeld kwijt. Dat is écht heel vervelend. Ik moet het idee écht op mijn halfzachte schijf hebben, doorleefd hebben, wil ik er mee aan de slag kunnen gaan.

Werken in een ‘flow’

Ik werd ’s ochtends wel eens wakker en wist dan precies hoe de compositie er uit moest zien. In tien minuten zet ik dan de grote lijnen op de plaat en later volgen wel de details. Die komen vanzelf, als ik in een ‘flow’ zit – als ik gedachteloos naar muziek luister, lijnen op de plaat aan het arceren ben of bijv. bloemblaadjes in de glasbrander aan het knippen ben. Als het in mijn atelier heel stil is, gaan mijn gedachten met mij aan de loop. Daarom heb ik meestal muziek op: van Maria Callas tot Rammstein. Muziek blokkeert mijn denken en daardoor kan er iets nieuws in mij ontstaan, kunnen nieuwe ideeën opborrelen.

Glazen bloemblaadjes ‘knippen’.

Ik heb, geloof ik, in geen twee jaar een nieuwe prent gemaakt, niet getekend en gedrukt. Ik weet nu even niks en wil niet op het thema ‘water’ teruggrijpen. Ik zou best een nieuwe prent willen maken, maar ik heb gewoon geen ‘beeld’ in mijn hoofd. Misschien wordt het wel compleet abstract. Dat zou best kunnen. Of misschien moet ik gewoon tegen mijzelf zeggen: ‘Ik vind werken met glas nu gewoon veel leuker…’

Glas is nu het belangrijkste

Jouw hart ligt op dit moment vooral bij het glas?

Ja, dat wordt mij steeds duidelijker. Als ik nu 16 of 18 jaar was, zou ik daar onmiddellijk mee beginnen. Ook wel grafiek erbij, maar als eerste toch het glas. Pasgeleden heb ik drie grote glaswerken gemaakt voor een kleine, ronde aula van een crematorium. In overleg met hen hebben Will en ik drie stukken van de zee met boten er op gegoten, die nu in de drie ramen zijn geplaatst. Ook door de oranje kleur in het glas geeft het een sfeervolle intimiteit. De aandacht van de aanwezigen verdwijnt niet via het raam naar buiten, maar weerkaatst als het ware in die drie grote oceanen.

Ik hoop ooit nog eens naar de fantastische glasblazer Richard Price te gaan om hem te vragen of hij de beestjes, kwalletjes, planktondingetjes die ik in mijn werk doe, in een grote vissenkom zou willen verwerken. Ik kan namelijk niet glasblazen – dat is een vak apart.

Ik kan al veel qua techniek in het glas, maar ik zou graag meester in dit vak willen worden. Ik wil écht nog veel meer leren. Ik ben op dit vlak onverzadigbaar. Veel kunstenaars maken een ontwerp, geven de kleuren aan en zijn erbij als het door een andere glaskunstenaar gemaakt wordt. Ik wil het echter graag zèlf kunnen. Dat is mijn droom: om meesterlijke glaskunst te maken!

Hans Dornseiffen

Nieuw en experimenteel: een collega kunstenaar heeft twee roestende ijzeren objecten gemaakt waarin Marjan glasversiering maakt.

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Aan het einde van ons interview konden Gemma en ik bovenstaand glaswerk meenemen, dat Marjan en Will speciaal voor ons hadden gegoten. ‘Huisje-boompje-beestje’ is een thema dat in ons 45 jarig huwelijk speelt. Dat begon al met een vlaggetje op ons kleine tentje toe we nog met zijn tweetjes waren. Het huisje staat links onder. De boom met een liefdeshartje heeft tussen de prachtige bladeren drie rode vruchten van onze drie kinderen. Tussen het bladerdak zit een witte vredesduif als ‘beestje’.

Marjan vindt het leuk om samen een glaswerk te bedenken en te ontwerpen. Ze heeft het vaak gedaan en neem gerust contact met haar op, als je zoiets graag zou willen!

https://marjansmit.nl